Hoe Lucille Werner het liefdesvuur met Servaas brandend houdt…

Lucille Werner (58) is precies een kwart eeuw samen met haar droomman Servaas Snoeijers, met wie ze zoon Angel heeft.
Terwijl veel showbizzhuwelijken sneuvelen, vertelt de presentatrice aan Story wat het geheim van haar goede relatie is.
Problemen met lezen en schrijven
Geen moment twijfelde Lucille Werner toen ze door het tijdschrift Libelle werd gevraagd om mee te werken aan het speciale Winterboek dat ook geschikt is voor mensen die problemen hebben met lezen en schrijven. ‘Het is fantastisch dat hier aandacht voor is,’ vertelt Lucille aan Story. ‘Libelle doet dit nu voor het vierde jaar. In deze uitgave staan ook verhalen van mensen die eerder moeite hadden met lezen en schrijven, en hoe ze dat overwonnen hebben. Een op de zes mensen kan niet goed lezen en schrijven, en mist daardoor aansluiting. Dat is een groot probleem in Nederland. Gelukkig zijn er steeds meer van dit soort initiatieven.’
Zoon geadopteerd uit Bulgarije
Dat taal belangrijk is, ondervond Lucille toen zij met haar echtgenoot Servaas hun nu 15-jarige zoon Angel uit Bulgarije adopteerde. ‘Hij was op dat moment vier. Wij spraken hooguit een paar woordjes Bulgaars. Met lichaamstaal kwamen we een heel eind. Maar hij pikte de Nederlandse taal heel snel op, na drie maanden al. Inmiddels zit hij in 4 Havo en is echt goed bezig. Hij zingt graag, en is nu aan het uitzoeken welke richting hij op wil. Dat varieert nu nog een beetje tussen ondernemer en volkszanger, en soms heeft hij het erover dat hij naar de hotelschool wil.’
Geheim achter liefde met Servaas
Lucille is inmiddels 25 jaar samen met haar grote liefde Servaas Snoeijers. ‘Ons geheim is dat we elkaar in balans houden. Hij is de muzikant die achter zijn piano mooie liedjes maakt en geweldig mooi zingt. Ik ben de overactieveling, die van alles wil en heel groot droomt. We vinden elkaar in die creativiteit. Daarnaast is Servaas een ontzettende lieve en leuke man. Hij verveelt me nooit, en houdt mij ook met beide benen op de grond. Als ik de wereld weer eens wil redden, zegt hij altijd: Begin maar eens in de straat. Dat relativeren is fijn. Omgekeerd geldt dat ook. Als hij wéér een tattoo wil, roep ik: Waar dan?! Want hij heeft er best veel. We hebben het echt fijn. Samen, maar ook los van elkaar. We gunnen elkaar die vrijheid, om ook zonder elkaar iets te doen.’



